Plus Nieuw subsidiesysteem voor offshore wind: logica zelve of 'race to the bottom'?

De Nederlandse overheid keert sinds kort geen subsidies meer uit aan nieuwe offshore windmolenparken op zee. Meer nog: de uitbater van twee toekomstige windparken op de Noordzee zal zelfs huur moeten betalen voor het gebruik van de zeebodem. Ook België kent sinds 2016 lagere subsidiebedragen toe en stapt straks over op een tendersysteem. Kunnen we de subsidies voor offshore wind volledig laten vallen?

Katleen Put & Fran Herpelinck | 8 januari 2019
Adobe Stock 52430002

Wat voorafging: eind 2017 kwam de federale regering tot een akkoord met de uitbaters van de offshore windmolenparken Northwester 2, Mermaid en Seastar. De drie nieuwe parken, die in 2020 klaar moeten zijn, zullen 3,9 miljard euro minder steun ontvangen dan met de vorige regering was afgesproken. "Nu gaan we evenveel duurzame energie creëren voor een kostprijs die maar een derde zo hoog is. De drie parken zullen gebouwd worden tegen 79 euro per megawattuur, een pak minder dan de 138 euro per megawattuur bij de vorige regering. Vanaf 2020 zullen de Belgische zeeturbines een gezamenlijke capaciteit van 2,26 gigawatt aan groene stroom hebben. Dat komt overeen met 10 procent van de totale elektriciteitsvraag in België”, aldus minister voor de Noordzee Philippe De Backer.

Meer windmolens voor De Panne

Vanaf 2020 kiest de Belgische overheid voor een systeem van aanbestedingen, waarbij projectontwikkelaars via een tender kunnen intekenen om in een bepaalde zone windmolens te bouwen. De Backer maakt zich sterk dat België offshore windparken zal kunnen bouwen aan een van de scherpste prijzen in Europa. “In het verleden werd windenergie vaak overgesubsidieerd, maar subsidies verstoren de vrije markt en de technologie evolueert snel. Met een tendersysteem garanderen we de beste prijs voor de consument. Op termijn zullen we zo windmolenparken in zee kunnen bouwen zonder subsidies", aldus De Backer.

Bij verschillende Belgische windspecialisten sluimert er nervositeit over het wegvallen van subsidies, zo blijkt uit een rondvraag. “Gelet op de grote investeringskost van een nieuw windmolenpark, waarvoor telkens heel wat risicokapitaal verzameld moet worden, leek het altijd de normale gang van zaken dat de overheid een deel van de risico’s wegnam en via een billijk subsidiesysteem voor financiële zekerheid zorgde”, stelt woordvoerder Vedran Horvat van Parkwind, dat met Belwind (165 megawatt), Northwind (216 megawatt) en Nobelwind (165 megawatt) drie actieve parken in beheer heeft. Met Northwester 2 (224 megawatt) (zie boven) is een vierde park in aanbouw.

Race to the bottom

Dat de offshore windindustrie door het wegvallen van de subsidies een noodzakelijke stimulans verliest, spreekt De Backer alvast tegen. "Integendeel. De offshore-industrie is volwassen geworden en is voor België een belangrijk exportproduct geworden. Ons land loopt in de offshore-industrie wereldwijd zelfs voorop. Ondanks de kleine ruimte die we hebben op onze Noordzee zijn we een wereldproducent geworden van offshore windenergie. Dat is dankzij onze Belgische bedrijven die zich gegooid hebben op de groene energiemarkt."

Bij Parkwind wijzen ze op het gevaar van een ‘race to the bottom’, die mogelijke investeerders ontmoedigt om in windenergie te investeren. “Het is logisch dat de regering naar de laagste prijs zoekt. Ook wij willen groene energie mee betaalbaar maken, maar zonder garantie op een minimumprijs voor stroom verandert het risicoprofiel van de projecten, wat tal van windspelers zou kunnen afschrikken”, stelt Vedran Horvat.

Strategische knoop

Op 7 december 2018 keurde de ministerraad een kaderwet goed, waarin voor het 'tenderen' van offshore wind drie strategische opties open staan. "Op basis van de marktomstandigheden zullen we in 2022 de knoop doorhakken. Ofwel bieden we een beperkte subsidie aan een windspecialist of gaan we voor een zero bid (nul euro subsidie, red.), zoals in Nederland het geval is. Ofwel spreken we een vaste prijs af, waarvoor het park dan gebouwd wordt. Of we schaffen de subsidies af en organiseren een veiling, waarbij de ontwikkelaars betalen om de Noordzee te gebruiken. Welke optie we ook kiezen, het doel is om steeds aan de laagste marktprijzen voor energie te werken”, aldus De Backer.

Meerjarenplanning

De eerste aanbestedingen zullen wellicht niet lang op zich laten wachten. Het nieuwe marien ruimtelijk plan 2020-2026 verdubbelt het windareaal voor de Belgische kust van 225 vierkante kilometer naar 506 vierkante kilometer. De nieuwe hotspot voor windparken komt op de zeegrens met Frankrijk, op de huidige zandwinningszones voor de Westkust. De zone staat volgens De Backer garant voor een bijkomende 1,75 gigawatt, wat het energieaanbod van offshore wind tegen 2030 boven 4 gigawatt doet uitstijgen.

De nieuwe windmolens op de zeegrens met Frankrijk worden verder in de zee geplaatst en zullen niet zichtbaar zijn van aan de kust. Samen met de bestaande parken kunnen ze 20 procent van de stroombehoefte in België voorzien. De Backer: "Als windmolens verder uit elkaar staan, vangen ze minder wind van elkaar af en zal ook de prijs voor de energiewinning zakken. Dat komt alle partners ten goede. Verder zullen we het gebied in verschillende kavels verdelen, die elk minimum 700 megawatt moeten opbrengen. De concrete invulling staat nog niet vast. De komende jaren zullen tal van studies plaatsvinden, door de overheid en netbeheerder Elia. We voorzien dat de parken vanaf 2025 gebouwd worden”, besluit De Backer.

Verder lezen?

Maak een profiel aan en lees Susanova nu 1 maand gratis.